Die vraag kreeg Ingmar De Vos voorgelegd in de eerste aflevering van de Mares of Macha Breeding Podcast. Zijn antwoord draait in de eerste plaats niet om meer vermogen of grotere galop. De rode draad is welzijn en mentaliteit.
Hoger wordt het niet. Technischer wel.
In de springsport ziet De Vos een duidelijke grens: veel hoger zullen de hindernissen niet worden. De volgende evolutie zit in de technische moeilijkheidsgraad. Parcoursen worden technischer, balken lichter, kleuren spelen een grotere rol, en de toegestane tijd wordt steeds meer een volwaardig onderdeel van de proef.
Hij vergelijkt het met de Wereldruiterspelen van Stockholm in 1990. Toen zag hij nog de grote, sterke paarden die voor elke hindernis opnieuw verzameld werden. Vandaag leggen springpaarden hun parcours volgens hem bijna af zoals pony's dat vroeger deden: lichter, sneller, voorzichtiger en wendbaarder.
Dat vraagt een ander type atleet. Niet noodzakelijk een paard met méér kracht, maar een paard dat zijn vermogen efficiënt inzet. Dat snel kan schakelen, voorzichtig is en zich gemakkelijk laat rijden.
Welzijn wordt een fokkerijvraagstuk
Daarnaast wordt het welzijn van het sportpaard nog bepalender. Paarden moeten steeds meer ontspannen kunnen presteren, en de relatie tussen ruiter en paard moet natuurlijker worden. In de dressuur, merkt De Vos op, belonen juryleden vandaag niet het paard dat gespannen door zijn proef komt, maar de combinatie die ontspannen en moeiteloos samenwerkt. In de endurance worden bewust technischere trajecten gebouwd om de snelheid te drukken en zo de paarden beter te beschermen.
Ook uitrusting en hulpmiddelen zijn een thema op zich. Wat dertig jaar geleden normaal werd gevonden op vlak van bitten, sporen en zwepen, is dat vandaag niet meer — en wat vandaag aanvaard wordt, kan over dertig jaar opnieuw anders liggen. De FEI zette daarvoor een expertengroep op en een app die voor ruiters, coaches en officials verduidelijkt wat mag en wat niet.

“We need horses that need less of all this assistance and still perform.”
Ingmar De Vos
Daarmee is welzijn niet langer alleen een zaak van reglementen en juryleden. Het wordt een fokkerijvraagstuk. Als de sport zich aanpast, moet de fokkerij mee: makkelijkere, meer rijdbare paarden, met een goede ingesteldheid, die hun talent zonder voortdurende correctie kunnen inzetten. Mentaliteit, rijdbaarheid en natuurlijke balans komen daarmee naast vermogen, techniek en voorzichtigheid te staan.
De jacht op Grand Prix-paarden
Terwijl de eisen veranderen, verandert ook de markt. En daarover is De Vos onomwonden.
“A lot of riders and owners are desperate to find horses. The search for Grand Prix horses is becoming a war, with all the financial implications that it has.”
Ingmar De Vos
De cijfers geven hem gelijk aan de aanbodzijde. Duitsland, veruit het grootste fokland van Europa, registreerde in 2025 nog 22.995 warmbloedveulens volgens de fokverenigingen — tegenover 28.049 in 2023. Een daling van ruim achttien procent op twee jaar tijd. Ook de WBFSH zag het Europese totaal terugvallen van een piek van 114.320 veulens in 2022 naar 108.027 in 2024, al blijft dat boven het niveau van vóór 2021.
Aan de vraagzijde beweegt het de andere kant op: meer geregistreerde ruiters, meer internationale wedstrijden, en groei buiten Europa. Minder aanbod tegenover meer vraag maakt bewezen genetica waardevoller — precies het punt waarop fokkers ertoe doen.
Een sport die van onderuit groeit
Eén cijfer bleef in het gesprek nazinderen. Bijna de helft van alle atleten die zich jaarlijks bij de FEI registreren om internationaal te starten, is jeugd. Cijfers die de FEI zelf presenteerde bevestigen het: in 2025 ging het om 21.375 jeugdatleten, goed voor 49,99 procent van alle registraties.
“Next year probably 50.1 percent,” voegde De Vos er lachend aan toe.
Die generatie blijft bovendien niet in de jeugdrubrieken hangen. Junioren en young riders stromen sneller dan ooit door naar CSI2*- en CSI3*-wedstrijden, tussen de senioren, omdat ze daar het meest leren. Meer ruiters op meer niveaus betekent één ding: meer paarden nodig.
En het is volgens De Vos geen sport voor alleen de gefortuneerden. Hij ontkent de kostprijs niet, maar wijst op iets wat het paardensport onderscheidt: er bestaat een loopbaan dóór de industrie. Jonge ruiters die jonge paarden opleiden, daar dagelijks voor betaald worden, op talent worden opgemerkt, betere paarden krijgen toevertrouwd en commissie verdienen wanneer de paarden die zij maakten verkocht worden.
“The majority of the people standing on the podium are not there because they have a lot of money, but because of the talent they developed. Our sport allows social mobility, which in not many sports is the case.”
Ingmar De Vos
En de fokker?
Het is de vraag die het vaakst werd ingestuurd. Fokkers leggen de genetische basis, maar zodra een paard Grand Prix springt, gaat de erkenning — en de meerwaarde — naar ruiters, eigenaars en handel. De Vos erkent de frustratie zonder omwegen: “Then it becomes a top horse, the big jackpot — and you don't get anything of it. I fully understand that frustration.”
Fokpremies zijn eerder geprobeerd, onder meer in België, en strandden telkens op drie problemen. De fokker stond niet of verkeerd geregistreerd — in sommige stamboeken werd hij helemaal niet bijgehouden. De premies waren gebaseerd op prijzengeld in plaats van op de verkoopprijs, waardoor de bedragen te klein bleven. En de data-basis om het eerlijk te organiseren ontbrak.
Wie hoopt op een regel van bovenaf, moet zijn antwoord goed lezen. De rol van de FEI is volgens De Vos niet om een maatregel op te leggen omdat één partij erom vraagt terwijl andere partijen tegen zijn. “What we need to do is bring the relevant people together” — ruiters, eigenaars, handelaars én fokkers — en samen onderzoeken of er een oplossing bestaat waar iedereen achter kan staan.
Ondertussen beweegt er wel iets. De FEI integreert stamboekdata in haar eigen systemen: de Duitse fokgegevens uit Warendorf zijn gekoppeld, de uitbreiding naar het Franse Selle Français loopt en met het Belgische BWP wordt gesproken. Dat klinkt technisch, maar het is de fundering: in veel databases was de fokker tot nu toe een vrij tekstveld, met spelfouten en dubbele registraties tot gevolg. Wie niet correct in de data staat, kan nooit erkend — laat staan vergoed — worden.
Op FEI-evenementen verschijnt de fokker daarnaast al in de graphics in de piste, naast eigenaar en groom. Het knelpunt zit bij televisie: de FEI stelt die data gratis ter beschikking aan elke organisator, maar zenders beperken zelf het aantal graphics op het scherm.
En het gesprek zelf komt er. Op het FEI Sports Forum in Lausanne komt een aparte sessie over de rol van de fokker, met ruiters, eigenaars en handel aan tafel, over erkenning én over een eerlijker deel van de waarde. De aanleiding is niet toevallig: binnen de FEI-WBFSH-raad ligt de vaststelling op tafel dat er minder gefokt wordt en dat fokkers zich in de steek gelaten voelen.

Data én gevoel
Blijft de vraag waar het voor de fokker concreet op neerkomt. Wat zou De Vos aanraden aan wie voor de sport van 2038 wil fokken? Zijn antwoord brengt twee werelden samen.
“Look at the data — society and successful entrepreneurship are built on data. Look at the allure of the horse, the type, what the horse is doing. And never forget to follow your intuition, because that's where breeders make the difference.”
Ingmar De Vos
Resultaten zijn belangrijk, zegt hij, maar sportdata lopen per definitie achter. Ze vertellen wat een paard gedaan heeft, niet wat zijn nakomelingen zullen doen. Kijk daarom ook naar wat achter de cijfers zit: het type, de uitstraling, de manier waarop een paard zijn werk doet. En volg uiteindelijk je intuïtie — precies daar maken fokkers volgens hem het verschil.
De mooiste bevestiging kwam op het einde. De man die iedereen aanraadt naar de data te kijken, wil na zijn pensioen zelf beginnen fokken. Met eigen ideeën over bloedlijnen, die hij nog niet wil delen.
Waarom dit nu telt
De vraag naar erkenning is niet nieuw, maar ze wordt scherper. Fokkers verkopen steeds vroeger in de keten, terwijl de weg van fokproduct naar Grand Prix-paard langer en zichtbaarder is dan ooit. Tegelijk daalt het aantal veulens in de grootste fokgebieden. Een sport die schreeuwt om paarden kan zich geen fokkers veroorloven die afhaken omdat ze onzichtbaar blijven.
Wie vandaag een embryo creëert, maakt een keuze waarvan het resultaat pas over tien of twaalf jaar zichtbaar wordt. De vraag is dan ook niet welke hengst nu populair is. De betere vraag is welk paard de sport van 2038 nodig heeft.
Volgens Ingmar De Vos begint dat antwoord bij een paard dat technisch, atletisch en competitief is — maar dat tegelijk gemakkelijker, natuurlijker en met minder hulp kan presteren. Een paard dat niet alleen kan winnen, maar dat ook past in de sport die we tegen dan zullen hebben.
Aflevering 1 van de Mares of Macha Breeding Podcast, met Ingmar De Vos, voorzitter van de FEI. Te beluisteren en te bekijken via podcast.maresofmacha.com.